Mevrouw heet zélf!
Rekenen
Liedje zonder
muziek
In memoriam
Piewie
Met Paultje
op vakantie (1)
Met Paultje
op vakantie (2)
Met Paultje
op vakantie (3)
|
| |
Mijn hoofd staat nooit
stil. De buitenkant wel, maar de binnenkant niet. Margerite Luitwieler
zegt:
Ik zie ik zie alles
álles zie ik
ook al zijn mijn ogen dicht
en wil ik slapen
Wat ik zie zijn stukkies, hele verhalen en
gebeurtenissen die me zijn overkomen. De losse dingetjes staan op Paulines
blog. De rest staat hier.
Mevrouw heet zélf!
Ik dacht dat het zo onderhand niet meer gangbaar was in Nederland,
maar laatst was het toch weer raak. Voor mijn theorie-motorrij-examen
(‘motor’ moet er echt bij; auto heb ik al lang maar
motor is pas echt leuk) kreeg ik bij het CBR een formuliertje waarop
ik moest invullen dat ik werkelijk ben wie ik zei dat ik was. Bijna
elk formulier begint met een regel voor de achternaam. Het CBR had
er twee. ‘Man: achternaam’ en ‘Vrouw: meisjesnaam’.
Ik heb eerst maar de rest ingevuld met antwoorden waar ik geen recalcitrante
mouw aan kon breien, want die eerste twee nodigden mij meer uit
tot vragen dan tot antwoorden.
Ik ben geboren in 1964. Niet omdat mijn ouders dat wilden, maar
omdat ze een jaar getrouwd waren en dus al een maand of drie op
de nominatie stonden om een kind te krijgen. Net zo logisch geregeld
als mijn achternaam: mijn vader heeft nooit geroepen “Die
slettebak doet het met iedereen”, hij ging mij zelf aanmelden
bij de burgerlijke stand, dus was ik van hem dus heet ik Nieuwhof.
Mijn meisjesnaam is niets anders dan mijn vadersnaam.
Die vadersnaam had ik nog steeds toen ik al geen meisje meer was.
Hoe jong ik mijzelf ook vond toen ik op 29-jarige leeftijd trouwde,
ik durfde mezelf niet echt meer een meisje te noemen. Nou had ik
mazzel, want ik kom uit een goed katholiek nest en heb bij doop
maar liefst vier meisjesnamen gekregen: Pauline Jacqueline Guillemette
Marie.
Dat trouwen was ook een goede oefening voor de argumenten. “Die
Nieuwhof, gaat ze opeens Sijtsma heten!” “Huh? Hoezo?”
“Nou, je gaat toch trouwen!” Dat zowel Nieuwhof als
Sijtsma niets voelden voor een naamsverandering van Nieuwhof deed
daar niets aan af; de goegemeente had anders besloten. Ik greep
naar wat ik beschouwde als het ultieme redmiddel: het Burgerlijk
Wetboek. Daarin staat letterlijk dat een getrouwde vrouw bevoegd
is de naam van haar man te voeren. BEVOEGD. Ze mág het. Ze
mag het ook laten. Ergo: ze hééft niet haar mans naam
maar ze mág die gebruiken. In dat licht is het extra humoristisch
als je bij wijze van felicitatie vlak na je huwelijk bericht krijgt
van de gemeente: ‘Geachte mevrouw shit-hoe-moeten-we-u-nou-noemen,
u bent onlangs getrouwd dus wilt u even dit invullertje terugsturen
als u uw meisjesnaam wilt blijven gebruiken.’ De gemeente
is een stuk soepeler dan de wettenopstellers.
Terug naar het CBR. Je komt er voor je felbegeerde theoriepapiertje,
dat toen voor de motor nog net – ook díe wetten veranderen
– je doorgangspasje was van parkeerplaats naar weg. Je ligt
dus niet dwars maar vult alle verlangde gegevens in, zo gedwee als
je je zelfs nooit tegenover een agent hebt gevoeld (“Ja, als
u niet eens weet hoe u mijn namen moet schrijven heeft het geen
zin om die bekeuring in te vullen.”). Meisjesnaam: Nieuwhof.
“Mejuffrouw Nieuwhof.” “Nou, als u dan toch gaat
vrouwen, maak er dan maar mevrouw van.” “Oh, u bent
getrouwd. Wat is uw achternaam?” “Nieuwhof.” Inconsequente
mormels.
|
| |
naar
boven |
| |
Rekenen
Het rekenonderwijs moet ingrijpend veranderen. Het moet realistischer,
meer passend in de huidige maatschappij. Dit zijn mijn voorstellen.
1. 1 + 1 = 3. Iedereen verontreinigt land, lucht en water,
dus iedereen moet verontreinigingsheffing betalen. Eenpersoonshuishoudens
betalen één eenheid, alle andere varianten drie. Van
tweepersoons- tot veelpersoonshuishoudens. Vandaar dat deze rekenmethode
twee fasen kent. De basisschool begint met ‘een plus een is
drie’, op de middelbare school wordt in het vak creatief rekenen
uitgelegd waarom een plus drie, een plus vijf en een plus dertien
eveneens drie is.
2. Meerderheid = minderheid. Bij een referendum spreekt de
stemmende meerderheid zich uit tégen de te bestemmen plannen.
Maar als de opkomst niet zo hoog is als de overheid eiste wordt
die meerderheid een minderheid en gaan de plannen gewoon door. Deze
stof is vooral geschikt voor de bovenbouw van de middelbare school,
omdat de leerling enig politiek inzicht moet hebben en moet kunnen
argumenteren.
3. ƒ 600 = ƒ 750. Heeft de partner van iemand met
een uitkering een studiebeurs van ƒ 600, dan gaat er ƒ
750 van de uitkering af. Uiteraard zijn de bedragen variabel, zolang
er maar een verschil van minimaal honderd gulden in het nadeel van
de uitkeringsgerechtigde blijft bestaan. Deze methode kan pas worden
onderwezen als de euro de florijn heeft verdrongen, om een snelle
herdruk van de boeken te voorkomen.
Raakt u door uw opleiding-oude-stijl volledig de tel kwijt? Houd
er dan rekening mee dat de omscholingscursus niet aftrekbaar is
van de belasting.
|
| |
naar
boven |
| |
Liedje zonder muziek
Als jij nou heel veel geld verdient...
Dan komen we niet op bezoek maar vragen we belet
We eten niet meer bij je, maar zitten aan aan het banket
Je drinkt dan geen Canei meer, maar louter nog champagne
En het bruinbrood dat je ons serveert heet dan pain de campagne
En al die dingen die je nooit meer zellef hoeft te doen
Als – dat is dan het enige – jij steeds maar zorgt voor
poen
De butler die je aanschaft moet natuurlijk Angus heten
Dat hij gewoon een Joop is dat hoeft niemand toch te weten!
Je gaat niet meer naar Zierikzee, welnee joh, ben je gek
Toronto moet dat worden, of minimaal Quebeque
En al die dingen die je nooit meer zellef hoeft te doen
Als – dat is dan het enige – jij steeds maar zorgt voor
poen
Natuurlijk word je steeds gevraagd voor alle dagen feest
Dat nooit echt goed geslaagd zal zijn als jij niet bent geweest
Je foto op de cover van de mooiste magazines
En potten saus naar jouw recept in honderden cuisines
En al die dingen die je nooit meer zellef hoeft te doen
Als – dat is dan het enige – jij steeds maar zorgt voor
poen
De bloemenkwekers vechten wild om tulpen met jouw naam
Steeds verder gaat het maar met jou, steeds verder met je faam
En iedereen die hip wil zijn is van jou in de ban
Als jij nou heel veel geld verdient vind ik er niks meer an
|
| |
naar
boven |
| |
In memoriam Piewie
Kort nadat ik mijn eennalaatste Piewienieuws naar mijn favoriete
mailinglist verstuurde belde Peter de dierenarts en moesten we kiezen
tussen dezelfde avond of de avond erop. We kozen het eerste omdat
we haar zo snel zagen verslechteren dat we het niet aandurfden haar
nog een volle dag en nacht te laten wachten. Ze was zo moe, zo verschrikkelijk
moe, ze vond er zelf duidelijk geen gein meer aan. Dwars mormeltje
als ze altijd is geweest ging ze direct na de beslissing uit zichzelf
wat eten en drinken. Maar daarna plaste ze opeens in haar mandje,
en dat heeft ze zelfs half onder narcose nog nooit gedaan. Gedurende
de dag ging ze zo achteruit dat ze nog wel haar kopje kon optillen,
maar niet meer de puf had om ons ook echt aan te kijken. Ze lag
op haar plekje met open ogen te, ja te wat? Te wachten leek het,
maar dat kan natuurlijk menselijke invulling zijn. In ieder geval
kreeg ze duidelijk steeds meer last van hoe ze was.
Om half zes kwam de dokter – daardoor hoefde ze tenminste
niet in die nare rotreistas – en afgezien van even misselijkheid
vanwege de verdoving is ze toen heel rustig overleden.
Ik leerde haar kennen toen ze een half jaar was en ik in het studentenhuis
kwam wonen waar zij met haar zusje Odi meteen uit nest naartoe was
verhuisd. Een half jaar later werd ze aan mij overhandigd –
met een strik om haar buik die ze erg genant vond. Een paar maanden
daarna werd ook Odi aan mijn huishouden toegevoegd. Beide werden
meteen helemaal mijn katten; we sliepen samen in hetzelfde bed,
en elk vriendje werd door de dames gekeurd. Wie mij wilde kreeg
een harem.
Ooit is ze twee weken weggeweest. Gewoon, weg. Toen ik al had opgegeven
haar ooit nog terug te vinden stond ze opeens blèrend voor
de deur. Vermagerd – maar niet te erg want Utrecht zit vol
ouwe dametjes die allerhande schoteltjes buiten zetten – en
sindsdien ernstig behept met een schreeuwende behoefte aan eten.
Piewie was vanaf het begin stapelverliefd op Peter, ze kon bij hem
op schoot zitten met zo’n kop van “Ik zit lekker bij
'm en jij niet.” Nooit in haar hele achttienplusjarige leven
heeft ze geblazen, gekrabd, gebeten of wat dan ook. Honden vond
ze wel een beetje eng maar toch ook wel interessant. Zo was ze altijd
nieuwsgierig naar alles. Dat ze bij het snuffen aan een hondenkont
constant de staart in haar moelie kreeg nam ze op de koop toe. Dat
ze op de behandeltafel van de dokter zat gaf haar een riant uitzicht
over al zijn openstaande kasten. Dat een bezoeker zijn tas naast
zich liet openstaan was een uitnodiging. Het liefst snufte ze de
hele dag even aan alles wat ik in mijn handen nam.
En ze was een verschrikkelijke vrijdoos. Ze heeft er een week last
van gehad dat Odi er niet meer was (op Odi’s laatste dag stonden
ze opeens met de kopjes tegen elkaar aan), maar het betekende wel
dat in het vervolg niet alleen alle brokjes maar ook alle kriebeltjes
en schootjes helemaal voor haar alleen waren. Nooit een kat meegemaakt
die er zo van kon genieten als je haar recht in d’r bekkie
kroelde – snorrepoets was haar lievelings.
Piewie en ik hebben haar laatste twee jaar behoorlijk hard gewerkt.
De eerste paar dagen dat ik opeens constant thuiszat vond ze een
inbreuk op haar privacy, maar daarna zag ze er de voordelen wel
van. Zo kon ze een oogje in het zeil houden, hetzij vanuit haar
mandje op mijn bureau, hetzij tussen mij en mijn toetsenbord in.
Kwamen in een tekst wat weinig spaties voor, dan tikte ze er met
één staartbeweging 65 of daaromtrent.
We hebben haar begraven. Zonder steentje, gewoon op een mooi grasveldje
waar de vogeltjes voor het grijpen vliegen. Op hetzelfde complex
als haar zusje Odi en Tommie, de vroegere hond van Peter. Dat verdient
ze, na al die jaren onvoorwaardelijke lievigheid.
Ik wilde nog een foto bijvoegen maar dat is misschien weer wat te
dramatisch. Ga er maar vanuit dat ze een verschrikkelijk mooi poesje
is.
|
| |
naar
boven |
| |
Met Paultje op vakantie (1)
Niemand kon hem hier zien, en hij kon lekker iedereen zien die langskwam.
De bosjes waren al zo voordat hij de hut ontdekt had, hij had het
alleen hier en daar nog wat dichter gemaakt met losse takken. Zo
kon hij mooi luisteren naar wat ze zeiden als ze over het pad liepen,
en als ze hem hoorden zouden ze vast denken dat het maar een vogel
in de struiken was. Aan de andere kant stond de hooiberg, dus daar
konden ze hem ook niet zien.
Dat kwam mooi uit, dat hij meteen aan het begin van de vakantie
zijn hut had ontdekt, nou kon hij meteen wegkruipen als hij ergens
geen zin in had. Niet dat dat veel gebeurde, want hij mocht van
zijn moeder doen wat hij wilde. Behalve als er bezoek kwam, dan
moest hij even een handje komen geven. En daar had hij nou juist
zo de pest aan, want die stomme tantes wilden altijd zoenen en daar
hield hij helemaal niet van.
Eigenlijk mocht hij ook niet in de hooiberg, want dan waren ze bang
dat hij eruit viel. Nou, hij lette heus wel op hoor. Achter de balen
kon hij zich mooi verstoppen, dan zagen ze hem niet. Moest hij wel
zorgen dat het hooi niet kriebelde, want dan ging hij niezen en
dan verraadde hij zichzelf.
Soms kwamen er vriendjes bij hem spelen; die vonden het altijd wel
leuk op de boerderij. Maar hij vond het eigenlijk fijner als ze
niet kwamen. Ze wilden nooit doen wat hij wilde, en ze deden ook
veel te ruw. Als ze bijvoorbeeld in de paardenstal met de konijnen
speelden (er stond natuurlijk geen paard in de stal) lieten ze wel
eens de deur op een kier staan en dan was hij hartstikke bang dat
de konijnen wegliepen. Het was juist zo leuk als hij languit op
de grond ging liggen en de konijnen met z‘n zestienen over
hem heen hupten.
Wat hij ook erg leuk vond was door het raampje van de deur van het
kippenhok, waar geen glas maar gaas in zat, ‘kukelekuuu’
te roepen. De kippen gingen dan alle kanten opkijken, omdat ze wel
een haan hoorden maar niet zagen. Zijn moeder vond dat pesten, maar
ze moest er ook wel om lachen. Zijn moeder vond hem erg stoer dat
hij zomaar durfde te kijken als er kippen werden geslacht. Als de
kop eraf was en de boer had de kippen in een draadmand gegooid,
dan maakten ze nog zulke gekke sprongen dat er een keer eentje over
de heg naar de buren was gesprongen!
|
| |
naar
boven |
| |
Met Paultje op vakantie (2)
Als ze naar het strand waren geweest ging hij op zijn kamertje in
de raamopening zitten. Het raam kwam uit op het balkon, dus vallen
kon hij niet. Hij kon niet in de tuin kijken, die lag een beetje
om de hoek, maar hij kon wel zijn tante horen als ze de randjes
van het gras knipte. Zijn vader zat vast naar de televisie te kijken,
of misschien las hij wel de krant. Zijn zusje speelde in de zandbak
en zijn moeder stond te koken. Draadjesvlees, hij rook het door
de graslucht heen. De hele dag had hij in de zon in het water gespeeld.
Hij had al gedoucht, maar zijn vel was nog steeds zout van de zee.
Lekker warm waren zijn wangen, misschien was hij wel hartstikke
bruin geworden. Dat kon je nog niet goed zien, want nu was hij nog
rood van de zon.
Vanavond kwam zijn lievelingsoom, dat was altijd gezellig. Hij maakte
altijd grapjes met hem, daar werd hij wel een beetje verlegen van
want hij wist nooit goed wat hij terug moest zeggen. Zijn oom zat
bij de zeilvereniging, zijn boot was een catamaran en heette Waikiki.
Soms mocht hij mee, dat was best wel een beetje eng want de boot
had alleen maar een net waar je op lag en dan zag je zo de zee onder
je door gaan. Als ze dan terugkwamen op het strand kwamen er allemaal
kinderen kijken en dan was hij heel trots dat hij erbij hoorde,
bij de boot en bij zijn oom. Soms haalden ze mensen uit de zee die
te ver weg waren gegaan. Die mensen spraken een andere taal dan
hij en zijn oom vond ze maar stom, dat ze niet opletten.
Op het strand speelde hij ook graag alleen. Het liefst ging hij
mooie schelpen zoeken. Gele bijvoorbeeld, of roze, of dubbele die
nog dicht waren. Thuis maakte hij ze allemaal schoon en dan liet
hij ze een voor een aan zijn moeder zien. De allermooiste stopte
hij in zijn zak, dat waren dan zijn lievelingsschelpen.
Hij had altijd in zijn jaszakken wel iets speciaals. In de jas die
voor de winter was had hij een kastanje. Toen hij ’m vond
was hij nog heel mooi, maar later droogde hij uit en toen kreeg-ie
een barst. Hij gooide ’m toch maar niet weg. En in zijn leren
jas zat een klein knikkertje dat heel mooi glansde, net alsof-ie
een beetje een spiegel was. Die had hij ook zomaar gevonden. En
in zijn spijkerjack zat een steentje. Dat zat er al in toen hij
het jack kreeg, zijn moeder zei dat het kwam omdat dat jack stoonwost
was, zo heet wassen met stenen in het Engels. Nou, als dat steentje
er al in zat toen hij dat jack kreeg, dan hoorde het er gewoon bij,
dan kon hij het niet zomaar wegdoen. Nou had hij lekker in al z’n
jassen iets om stiekem mee te spelen als hij in de kerk zat of zo.
|
| |
naar
boven |
| |
Met Paultje op vakantie (3)
Als de vakantie bijna was afgelopen ging hij altijd met z’n moeder en z’n zusje spullen kopen voor in de nieuwe klas. Van alles mochten ze uitzoeken; allerlei soorten klapperblaadjes, pennen, een agenda, blokjes, soms ook een nieuwe klapper of een nieuw etui, potloden, gummetjes, alles van die afdeling die ze bij Vroom & Dreesmann apart maakten voor kinderen die bijna weer naar school gingen. Thuis zetten ze dan een oude tafel buiten op het erf en dan stalden ze alles uit wat ze hadden gekocht. Van de dingen die gedeeld konden worden kregen hij en zijn zusje ieder de helft. Het was een heel lekker werkje om dan alles netjes op te ruimen en te kijken of alles in zijn tas paste. In zijn agenda zette hij vast wanneer hij jarig was, en zijn vader en moeder en zijn zusje en nog andere familie die hij wist. Hij moest wel oppassen dat hij er niet alvast te veel plaatjes inplakte, anders was zijn agenda al vol voordat hij naar school ging. Hij vond het niet zo leuk om weer naar school te gaan, maar de voorbereidingen waren wel leuk.
Gelukkig was het nog niet zo ver, eerst kon hij nog door de velden dwalen. Op de landweggetjes was het altijd heel warm en het rook er erg broeierig. Hij mocht van de boeren niet door het koren lopen, dat wist hij wel. Soms deed hij het toch, want het was zo leuk dat niemand je dan meer zag en dat je opeens op een heel ander weggetje stond.
De bramen waren nu op z’n lekkerst en op het weggetje naar de boomgaarden waren een heleboel bramen. De buren hadden kruisbessenstruiken en daar mocht hij ook van plukken. Soms had hij wel zoveel gegeten dat hij helemaal niet meer zo’n honger had.
Als zijn moeder er zin in had gingen ze naar het spoor. Dan zaten ze naast een spoorwegovergang tussen hoog gras en allemaal mooie wilde bloemen. Zijn moeder nam wat lekkers mee om te eten en te drinken, en hij en zijn zusje gingen dan stenen zoeken, of aparte bloemen. Soms gingen ze heel even met hun oor op de rails om te luisteren of er al een trein aankwam. Als er een kwam stonden ze allang weer veilig aan de kant en dan zwaaiden ze naar de machinist. Vaak zwaaide die terug en soms toeterde er zelfs eentje!
Soms, als het allang geen vakantie meer was maar als hij eraan moest denken, dan kon hij opeens precies ruiken hoe het rook toen het wel vakantie was, en daar werd hij altijd een beetje blij en verdrietig tegelijk van.
|
| |
naar
boven |
|